Er wordt gezegd dat Gent een PS-staat in het klein is, een PS-stadsstaat als het ware. Naar structuur kan dat kloppen, niet naar ontstaansgeschiedenis.
Bij de neergang van de Waalse industrie van kolen en staal bleef de regio hangen in verslagenheid en onbegrip. De ruggengraat om recht te staan uit dit moeras ontbrak, omdat de politiek, de alles overheersende Parti Socialiste, vanuit een conservatieve reflex, de verandering naar een nieuwe industriële context niet zag zitten. In een KMO-landschap, zoals in Vlaanderen, zouden ze hun macht verliezen. Met de bestaande machtsstructuren konden ze hun kiezers warm houden met de belofte dat het ooit goed komt, dat ooit Cockerill, Forges de Clabecq en Bois du Cazier uit hun as zouden verrijzen en welvaart naar de regio zouden terug brengen. Bevlogen syndicale redenaars hielden de arbeiders in de volkscafés met pinten en uitkeringen zoet. Elke arbeiderszoon kon gaan sjotten in een lokaal ploegje met een donderrood bestuur, elke armlastige burgemeester kreeg zijn sporthal of cultureel centrum. Behouden wat goed is, geen risico nemen en rekenen op de federale staat om hun eigen baronieën te financieren. Ondertussen hield een leger ambtenaren een oogje in het zeil om mensen met afwijkende meningen sociaal te elimineren of om te kopen. “Het geld was nooit op!” Waar hebben we dat nog gehoord.
In Gent liep het anders. De economische demonen na de val van de textielindustrie werden verdreven met moderne staalindustrie, automotive, distributie, onderwijs en een levendige haven. Gent was een mix van grote en kleine ondernemingen. Misschien een beetje oldfashioned, wat roestig in de besluitvorming, maar steeds vooruitkijkend. Tot zwarte zondag, 24 november 1991. Een nieuw zwart beest was opgestaan. Een nieuwe vijand moest bestreden worden. Voeg daarbij een relatief hoge werkeloosheid en een vleugje Gentse eigenzinnigheid, en de keuze was snel gemaakt. Gent zou progressief worden, vernieuwend. Gent zou afrekenen met het verleden van christelijk conservatisme en Vlaams nationalisme. De CVP burgemeesters waren vertrokken en de stad kwam in handen van de socialisten. Temmerman, Beke en vooral Termont werden de constructeurs van het, door burgemeester De Clercq fel geprezen Gents DNA. De migratiegolven uit die periode waren welgekomen meevallers en dienden om de installatie van hun PS-staat met nieuwe kiezers te ondersteunen. De aanwezigheid van de liberale brulboei Guy Verhofstadt, die onder invloed van Agalev en de Waalse socialisten de linkerzijde ging opzoeken, gaf de lokale bestuurders extra moed om hun plannen door te voeren. Gent werd een tewerkstellingsparadijs. De werkloosheid daalde, al was het maar door tewerkstelling bij de overheid en de onderwijsinstellingen. Participatie was de nieuwe mantra, ecologie de nieuwe bijbel. Iedereen die van hetzelfde gedacht was mocht meedoen. Dat daarvoor de structuren niet bestonden of niet groot genoeg waren, was geen belemmeringen: ze konden altijd bijgemaakt worden, onder de vorm van vzw’s en verzelfstandigde agentschappen. Beiden stonden niet langer onder democratische controle en boekhoudkundige kennis was niet vereist. “het geld was toch nooit op!” Op die manier krijg je een pure PS-stadsstaat.
Gent bewijst dat zowel gemaskeerd conservatisme zoals in Wallonië als indoctrinair progressivisme leiden naar hetzelfde eindresultaat: een financieel fiasco.